Fietsmystiek

 

Door  Ralf Dukker

 

Racefietsen is nooit zonder gevaar. Tijdens elke tocht doet zich een moment voor dat je ternauwernood ontsnapt aan een verkeersongeluk. Het klinkt bizar, maar dit went, zolang je er tenminste met weinig kleerscheuren vanaf komt. Wanneer na een tocht het thuisfront informeert hoe het was gegaan, laat ik inmiddels zulke incidenten weg. Waarom zou ik ze onnodig ongerust maken? Als je er niet over praat, is het er ook niet en zal het geleidelijk uit je geheugen verdwijnen. Zoniet de volgende gebeurtenis.

Hoewel het bijna tien jaar geleden plaatsvond, heb ik er nog nooit met iemand over gesproken. Ik wist niet eens hoe ik het uit moest leggen, laat staan hoe ik het überhaupt moest verwoorden. Schrijven gaat me nu gemakkelijker af en misschien kan ik daardoor ook accepteren wat er op die lentedag is gebeurd.

 

De Hel van Wageningen is een geschikte naam voor deze pittige toertocht van zo’n honderdvijftig kilometer. Ik neem mijn petje af voor eenieder die boven de dertig gemiddeld uitkomt. Op deze zonnige lentedag begin juni hing er iets merkwaardigs in de lucht. Ik kon dat gevoel – want dat is het – voor een deel benoemen, want ik had eerder die ochtend mijn contactlenzen verwisseld. Geen ramp, want het verschil is min één, het was hoogstens vervelend.

Het tweede dat uit de toon viel was het gezelschap. Dat was er namelijk niet. Ook hier was een logische verklaring voor. De tocht had die zaterdag concurrentie van Limburgse tegenhangers en bovendien was ik laat gestart.

Zo gebeurde het dat ik rond tienen helemaal alleen ergens op de Veluwe fietste. Er stond weinig wind en het fietspad was pas opnieuw geasfalteerd. Het was een smal fietspad midden op een plateautje met aan weerszijden heide. In de verte begon het bos weer. Ik ging op de pedalen staan, want ik wist dat in het bosje een lange afdaling begon die pas zou eindigen bij de parallelweg langs de A50.

De boomtoppen lieten sporadisch zonlicht door zodat het voelde alsof iemand snel achter elkaar het licht aan en uitdeed. Iets dat veel van je concentratie vraagt wanneer je met een noodgang aan het afdalen bent. Hoe hard ging ik eigenlijk? De teller stond op vierenzestig.

Het volgende moment zag ik als in slowmotion mijn voorwiel van het fietspad raken, gevolgd door de rest van mijn fiets. Ik reed over een laag klei, bedekt met bladeren en dode takken. Dit was ernstig, heel ernstig. Deze keer zou ik er niet gemakkelijk vanaf komen.

Ik zag niks, alles was zwart en ik besloot mijn ogen te sluiten. Ik gooide mijn armen de lucht in. Tot op de dag van vandaag weet ik nog steeds niet waarom ik dit deed. In mijn gedachten zag die pose er melodramatisch en tegelijkertijd aanstellerig uit. En zo wachtte ik. Op wat ging komen.

Op de klap.

 

Iets in me zei dat ik mijn ogen moest openen. Ik zag hoe ik nog steeds met flinke snelheid in de berm fietste. Ik greep het stuur met beide handen en trok mijn fiets het fietspad op. Met een hartslag die waarschijnlijk de tweehonderd naderde, slaakte ik een diepe zucht en trapte weer verder. Een half uurtje later werd ik bijgehaald door een groepje van vier. Bij de controle besloot ik niet te stoppen en door te rijden, want de adrenaline spoot nog zowat uit mijn oren.

Enkele uren later kwam ik doodop in Wageningen aan. Ik had alles uit de kast gehaald en voelde op meerdere plekken kramp aankomen. De naijlende endorfine werkte aangenaam verdovend en pas in de auto op de terugweg realiseerde ik me weer dat ik mijn lenzen had verwisseld.

 

Het was een boek, Wintervlinder van Gerben Hellinga, dat deze gebeurtenis bij mij weer in herinnering bracht. Er klopte veel niet aan deze bijna-valpartij. Waarom sloeg bijvoorbeeld mijn voorwiel niet om toen het de zachte berm raakte? Hiervoor kon ik nog met een verklaring komen; mijn snelheid was zo hoog dat deze mij overeind heeft gehouden. Bovendien was de ondergrond van de berm blijkbaar hard en droog genoeg.

Maar hoe kwam ik weer op het fietspad terecht? Toen ik een jaar later op dezelfde plek fietste, zag ik dat de berm minstens drie centimeter lager lag dan het fietspad. Was het mogelijk dat ik mijn fiets vanuit die berm met vijftig, zestig kilometer per uur op het fietspad had getild? En waarom gooide ik mijn armen de lucht in? Zo’n dramatische uitspatting past gewoon niet bij mij.

Hoe dan ook, ik heb geluk gehad, of was het méér dan geluk? Ik besloot vanochtend deze herinnering uit te schrijven en alles wat ik ervan niet kon verklaren te accepteren.

Ik accepteer het en daarmee is alles goed. Toch?

 

 

© Copyright by Ralf Dukker