Cosmetica in Pompeji

 

Houdt het dan nooit op,’ verzuchtte bakker Ciabattus in Pompeji. Het was 19 augustus 79 n. Chr. Terwijl Kwikfixus bezig was met het repareren van een scheur in de oven van de bakker, zorgde het trillen van de grond voor een nieuwe scheur. Zijn vader had hem vaak verteld van de grote beving, nu zo’n halve generatie terug, maar Ciabattus dacht liever aan de toekomst. De grond hier was volgens hem de vruchtbaarste van het Romeinse Rijk. De meeste van zijn klanten hadden hier hun tweede huisje en dankzij het nieuwe Aqua Augusta aquaduct beschikte iedereen over stromend water.
Wel vreemd dat uitgerekend in het nieuwe aquaduct zoveel vissen doodgaan.


Op de achtergrond de Vesuvius

 

Wat hij voor zichzelf hield waren de kakkerlakken. Er zijn nooit kakkerlakken in een bakkerij, dat zegt hij tegen zijn klanten. Gisteren, bij het ontwaken van de zon, zag hij er honderden, zo niet duizenden over de vloer rennen. En ze sprintten allemaal naar de stadspoort. Naast de oven hoorde hij Kwikfixus hardop rekenen. Ciabattus zuchtte diep. Vanavond zou hij een overrijpe avocado offeren in de tempel. Misschien zou dat de goden kunnen bekoren ….

 

 

Rampentoerisme is leuk. Woorden van die strekking gebruikte Goethe in de 18e eeuw tijdens zijn bezoek aan Pompeji. Hij doelde vooral op het feit dat de stad zo intact is gebleven. Met dank aan de zes meter dikke aslaag. Van de 10.000 inwoners overleefden zo’n 8.000 de vlucht. Geen van allen beseften dat de Vesuvius een vulkaan was. Enkele dode achterblijvers werden in de 19e eeuw in gips gegoten. Eind jaren tachtig was er een ‘succesvol’ met epoxyhars dat de doden transpant maakte. De Volkskrant schreef er het volgende over:

“Barbaars is het wel, de bijnaam Silicon Babe die het Romeinse meisje kreeg van archeologen. Volledig transparant staart ze omhoog Brussel.


"Ik heb maar twee seconden nodig ...."

 

De structuur van haar botten nog ten dele zichtbaar, haar voorhoofd steunend op de linkerhand, de rechterarm en benen gebogen. Net als alle andere inwoners van Oplontis, een Romeins havenstadje op vijf kilometer van Pompeji, zat ze op 25 augustus 79 na Christus als een rat in de val toen om één uur 's nachts een gloeiende wolk vulkanisch materiaal kwam aanrazen. Bijna tweeduizend jaar later zijn we getuige van de leegte die van haar resteerde.

Letterlijk een leegte, want de delvers vonden van het meisje alleen een holte terug, achtergebleven in lava en puin na de ontbinding van organische resten.

 

Uit dat fantoomgraf maakten ze een wassen afgietsel met een mal van gips, waarin ze vervolgens doorzichtig epoxyhars spoten. Het resultaat is gruwelijk en wonderschoon tegelijk. De opengesperde mond schreeuwt om hulp.”
 

Gelukkig is van dit tafereel op internet geen afbeelding te vinden. And now for something completely different …
Het Lupanare in Pompeji, het wolvinnenhuis oftewel het bordeel, was eveneens grotendeels intact gebleven. Tot en met de muurschilderingen aan toe. Elke muurschilderingen toonde een houterig uitziend stel die de god Rampetampus eer betoog.


Straattegel c.q. piktogram t.b.v. de Lupanare

 

Tweeduizend jaar geleden was het voor Johannus Modalus dan eenvoudig om zijn keuze door te geven en daarna stond niets hem in de weg om de oudste beweging van de wereld uit te oefenen.
Complimenten voor de Nederlandse gids, Marit, die alles vakkundig aan elkaar praatte. Ze wist te vertellen dat slaven destijds zo niet genoemd werden op de slavenmarkt maar 'vocaal hulpmiddel'. Dit om het onderscheid te maken met 'dieren' waarbij dat 'vocale' ontbrak. De schatting is dat de verhouding inwoner/slaaf in Pompeji één op één was.

Tot slot nog een weetje van Marit. Het Romeinse (of Latijnse) woord 'cosmetica' betekent letterlijk 'orde op zaken', wat overigens impliceert dat vòòr die orde er chaos was.

 

 

Tot slot

 

Zondagnacht om één uur viel de stroom uit. Het werd de grootste stroomstoring in de Italiaanse geschiedenis maar gelukkig bleven rampen uit. Het kleine leed was niet te overzien. Probeer maar eens je lenzen in te doen bij het schaarse daglicht. Naar buiten gaan was geen optie, want het stortregende. De meeste lichtinval was op de bar en zo gebeurde het dat op zondagochtend halfacht ondergetekende met zijn lenzen stond te pielen op de toog.

De stroomstoring duurde tot vier uur 's middags en bleek achteraf voor ons honderd procent mee te vallen. Op het programma stonden excursies naar de openluchtmusea in Tivoli. Het voormalige pauselijke (Villa Est) en keizerlijke (Villa Adriana) buitenverblijf.


Villa Adriana

 


Bye bye Vaticaan

Villa Est was gesloten door de stroomstoring. Hier bevonden zich nog kunstschatten die normaal gesproken elektronisch beveiligd waren. Een praktischer probleem was dat de kassa's niet aangezet konden worden. Bij Villa Adriana maalden ze hier niet om, waren we volgens de kassabon allemaal 65 en kregen dus gratis entree.

 

Verder hebben we maar liefst drieënvijftig minuten in Napels gelopen. En dat is niet te weinig, want Napels is geen Rome of Pompeji en voor argeloze reizigers niet bepaald veilig. De uitdrukking 'eerst Napels zien en dan sterven…' klopt overigens niet. Het is volgens Alice gewoon een vertaalfout die daarna een eigen leven is gaan leiden. Eind 999, tegen het einde van het eerste millennium, was broeder Anonymus even niet helemaal bij de les. De juiste vertaling luidde namelijk 'eerst Napels zien en dan de Moren..': De Mori (Moren) in plaats van Muori (sterven).

 

Enkele jaren later deden we weer Italië aan en weer werd het een onvergetelijke ervaring.

 

 

Terug naar intro alle reiservaringen? Klik hier

 

Terug naar homepagina? Klik hier

© Copyright by Ralf Dukker